Touba – Het is één van de meest intrigerende scènes uit de documentaire I Bring What I Love over Youssou N’Dour die begin dit jaar in de Nederlandse bioscopen draaide: de vogelvluchtbeelden van een enorme stoet mensen die door een eindeloos lange straat op weg zijn naar een gigantische moskee. Het zijn beelden van de Magal, de pelgrimstocht naar Touba – het Mekka van Senegal – waar miljoenen moslims jaarlijks een eerbetoon brengen aan Cheikh Amadou Bamba Mbacké. Dit was een illuster figuur die in 1883 de in Senegal dominante Mouridische broederschap stichtte en vier jaar later de stad Touba, een plek waar volgens Amadou Bamba het tijdelijke en het eeuwige samen moesten komen. Touba is een succesverhaal geworden, al is dat vooral het werk van Bamba’s nakomelingen die van de stad het bruisende religieuze hart van Senegal hebben gemaakt. Daar staat tegenover dat de islam sinds de onafhankelijkheid in 1960 enorm is gepolitiseerd en Touba allang geen plek meer is voor louter religieuze rust en contemplatie.
Trailer van I Bring What I Love:
De laatste dertig jaar is Touba alleen al door zijn omvang uitgegroeid tot een belangrijk machtscentrum in Senegal. In 1960 had de stad nog maar een kleine drieduizend inwoners, inmiddels is dat aantal meer dan verhonderdvoudigd. Bij de laatste telling in 2007 werd vastgesteld dat de stad 529.167 inwoners had en elk jaar komen er een kleine twintigduizend bij. Omdat Touba onverminderd geliefd blijft en de centrale locatie op vlak land volop mogelijkheden biedt om nog flink te expanderen is het niet ondenkbeeldig dat Touba op termijn een concurrent wordt van de uit zijn voegen barstende hoofdstad Dakar.
Maar deze demografische ontwikkeling is niet de enige reden van de toenemende macht van Touba en zijn leiders. De familie van Grand Marabouts, de nakomelingen van Amadou Bamba, zijn politici geworden. Elke presidentskandidaat vraagt om hun openlijke steun. Zonder steun van de marabout, die vaak een bindend stemadvies geeft aan zijn achterban, is een verkiezingsoverwinning bij voorbaat kansloos. Niettemin is de prijs die door de regering voor deze steun wordt betaald hoog. Het uitdijende Touba begint een staat in een staat te worden, de Senegalese equivalent van Vaticaanstad, met de grote moskee als trotse Sint Pieter in het middelpunt. De stad heeft eigens regels die soms regelrecht ingaan tegen de nationale wetgeving. In Touba mogen vrouwen geen broeken dragen, is alcohol- en tabakconsumptie verboden en is dansen taboe. Ook heeft de stad vrijwel geen openbare, ‘Franse’ scholen, maar voornamelijk koranscholen, waar de officiële taal Frans niet wordt onderwezen. De politie laat zich hier zelden zien, in de straten van Touba heerst de islamitische politie die er zo zijn eigen regels op nahoudt.
Le Grand Mosque de Touba
De marabouts regeren door middel van giften, want de inwoners van Touba betalen geen belasting. Als een grote financiële inspanning noodzakelijk is, wordt er ‘een nationale collectedag’ gehouden. Het geld komt dan niet alleen uit Touba, maar ook uit de rest van het land en andere Afrikaanse landen. Daarnaast beleggen de religieuze leiders van de broederschap hun geld in onroerend goed, bestieren ze hun eigen winkelketens en handeltjes en ontvangen ze fortuinen uit het buitenland waar een trouwe aanhang geld overmaakt. Naar verluid is een groot deel van de illegale straathandel in New York in handen van Mouriden. Al met al loopt de Senegalese staat nogal wat geld mis, terwijl zij wel geld investeert in de publieke voorzieningen van de Heilige Stad. De vraag rijst derhalve of ‘het beest Touba’ straks nog wel te temmen is.
De populariteit van Touba is dus niet alleen toe te schrijven aan een toenemende islamisering van Senegal of een enorme behoefte aan tucht en orde. De islam is zonder twijfel immens populair in Senegal; de kenmerkende beeltenis van Cheikh Amadou Bamba staat werkelijk op elke muur getekend en belandt als sticker op scooters, autodashboards en verkeersborden. Touba, Bamba en de islam in het algemeen zijn hip; jongeren lopen om hun nek met lederen talismannen met daarop de afbeelding van hun marabout, de popmuziek barst van de verwijzingen naar religieuze personen en symbolen.
Cheikh Amadou Bamba (1853-1927) op de enige foto die van hem is overleverd. Deze beeltenis komt veelvuldig in het Senegalese straatbeeld terug (Bron)

Zoals hier:

Hier staat tegenover dat overal in Senegal vooral de enorme tolerantie opvalt. Hoewel er een zeker wantrouwen is ten opzichte van de Westerse moraal wordt je als toubab meestal volledig in je waarde gelaten. De heersende islamitische stroming in Senegal is niet voor niets het soefisme, een vrij mystieke interpretatie van de islam die een hoge mate van syncretisme met de Afrikaanse natuurgodsdiensten toelaat. Met die wetenschap komt de strenge handhaving van zogenaamde islamitische regels in Touba een beetje over als een geforceerde dekmantel voor de politieke en financiële zwendel (de stad was decennialang één van de meest gebruikte doorvoerhavens van smokkelwaar) van de religieuze leiders en het keiharde kapitalisme dat de bloeiende handel in straten en markten regeert.
Nogmaals de Grand Mosque:
Op deze plek, Touba, lopen twee toubabs, een man en een vrouw, zalig gemaakt door de openheid en gastvrijheid van de Senegalezen gewoon in Westerse kledij. De lange straat waar zich eens per jaar enkele miljoenen pelgrims verdringen is leeg, in de verte doemt de grote moskee op. Ze worden aangehouden door een agent van de islamitische brigade. Of mevrouw een rok wil dragen, anders mogen ze niet verder. Nee, ook niet iets verderop, ze moeten terug naar start om op een markt een lap stof te kopen. Autoritaire lul, het is dat ze die moskee zo graag willen zien, het schijnt de grootste van Afrika te zijn. De lol is er al een beetje vanaf, mevrouw voelt zich spiritueel verkracht en kan maar kleine stapjes zetten in haar wikkeldoek. Zou het ook zo voelen als je géén hoofddoek mag dragen? De weg is echt heel lang, en het is echt heel warm, schaduw is onvindbaar, het is zowaar een pelgrimage. Of ze moslims zijn, vraagt een voorbijganger, ‘nooit van mijn leven’ antwoordt de vrouw en tegen de man zegt ze: ‘je wordt er militant van als je iets moet doen wat je niet wilt’.
De moskee is inderdaad mooi en groot, alleen de gids weet niet veel meer te vertellen dan ‘dit is een mooie plek om een foto te nemen’ en ‘de vrouwen bidden hier, de mannen daar’. Wel wordt duidelijk dat de giften goed worden besteed, de gids loopt er florissant bij, mooie zonnebril, kekke boubou. De moskee is ook geen half werk trouwens, Zuid-Jordanees marmer, natuursteen uit de Kaukasus en nog elke dag wordt ie verfraaid met het een of ander. Drie keer vinden we op het glanzende marmer een lege portomonnee, de Heilige Stad is zakkenrolplek nummer één en het Huis van God kennelijk de perfecte locatie om de buit eens rustig te bekijken. Iedereen vraagt de toubabs geld, of koffie, of iets anders: contemplatie en bezinning mag best onderbroken worden door wat gebedel. De toubabs geven niets, ach toch wel, een lief jongetje komt op ze af, een flesje cola kan er wel vanaf voor dat knaapje.
‘Geef mij dat maar’, de gids grist het flesje uit de handen van de verbouwereerde vrouw en drinkt het in één teug leeg.
Geef een reactie tot nu toe
Plaats een reactie